Het lot van jongens die wel willen, maar niet mogen mrt16

Tags

Related Posts

Share This

Het lot van jongens die wel willen, maar niet mogen


Terugkijkend op mijn jaren in het jongerenwerk en als specialist aanpak overlastgevende / criminele groepen en individuen voor afdelingen Veiligheid en Openbare Orde in verschillende steden, zijn het eigenlijk alleen de verhalen die ik direct met jongeren heb meegemaakt die zijn bijgebleven. Niet de werkzaamheden die ik als manager of directeur heb uitgevoerd. Het is vergelijkbaar met voetballers die trainers worden en ontdekken dat ze het gelukkigst waren toen ze zelf in de arena stonden. En het was soms een arena waar ik me in bevond. Bedreigingen, fysiek geweld (1x toen ik met mijn zoontje in de stad liep), het ingooien van mijn ramen thuis door boze jonge drugscriminelen die boos waren dat ik een aantal jongerencentra sloot van waaruit zij hun handel dreven en ik hen in het nieuwe centrum de toegang weigerde….het was inherent aan het werk en er was weinig tot geen aandacht voor in de media.

Het is mij, samen met collega’s en partners gelukt een deel van de jongeren uit de  problemen te krijgen en/of te houden. Bij een deel is dat niet gelukt.

Ik heb gewerkt met kampers, Hooligans, Turken, gabbers, Marokkanen, Antillianen, dorpelingen, stedelingen, etc. Vaak had ik een zwak voor moeilijke jongens en meiden met een goed hart. Eén ervan was een Turkse jongen die ik Bobbie zal noemen. Hij maakte deel uit van een Turks/Marokkaanse groep. De Turken waren de baas. Een deel van hen behoorde tot machtige drugsfamilies. De groothandelaren. De Marokkanen waren in de wijk de  detaillisten. Een vader van één van die Turkse jongens was omgekomen in de wijk door een autobom.

Bobbie behoorde tot zo’n machtige familie. Zijn oudere broer was al eens opgepakt, vader zat al jaren vast. Hij kwam meestal met zijn iets jongere broer naar de activiteiten. Die miste wat Bobbie had. Een geweten. Hij was niet helemaal barkie, zoals wij dat noemden. Bijna onbereikbaar.

Bobbie had die fonkeling in zijn ogen als hij iets deed wat hij leuk vond. Sporten, praten over het leven en ook vrijwilligerswerk doen. Hij vond het fijn te helpen en waardering en erkenning te krijgen. Tot op zekere hoogte was hij betrouwbaar. Hij wilde goed doen en een positief leven leiden.

We hebben hem een keer meegenomen naar een geïsoleerd dorp in het zuiden van Italië voor een jongerenuitwisseling. Hij vond de Italianen in het begin vreemd. Homo’s noemde hij hen. Waarom? De Italianen gaven complimentjes als ze vonden dat iemand iets goed kon of mooie kleding aan had. Bobbie was niet gewend om een complimentje te krijgen. Was niet bij zijn opvoeding inbegrepen.

De hele week heeft hij hard gewerkt aan het maken van een toneelstuk. Op de laatste avond vond de uitvoering plaats. Voor honderden mensen stond hij daar op een groot podium zijn rol vol overgave te vertolken. Hij genoot met volle teugen. Wij hielden van Bobbie en hij van ons. Hij wilde zo graag. In Italië kon hij zijn wie hij wilde zijn.

Op een gegeven moment toen we weer in de wijk waren, werd ik belaagd door een groep jongeren en ik moest vluchten. Ze verdachten me ervan informatie gedeeld te hebben met de politie waardoor één van hen was opgepakt. Veilig achter een gesloten deur zag ik ook Bobbie in de groep staan. Stelde me dat teleur? Nee, ik voelde me verdrietig voor hem. Hij wilde wel, maar kon niet anders. De groepsdruk, de druk van de familie, was eenvoudigweg te groot. Het heeft me geleerd dat het weinig tot geen zin heeft als jongerenwerker te investeren in jongens die behoren tot een drugsfamilie. Die moet je zo snel mogelijk uit hun omgeving halen.

Later werd bekend dat één van hun eigen jongens met de politie had gepraat en gevoelige info had gedeeld.

Bobbie is later veroordeeld voor de handel in wit. De familie moest gedwongen verhuizen uit de wijk. Ik heb Bobbie nooit meer teruggezien.