Niet meehuilen met relschoppers – deel 2

Gisteravond was ik in De Doelen in Rotterdam voor een concert van de Libanese trompettist Ibrahim Maalouf. Hij vertelde dat hij ervoor heeft gekozen om voor minder publiek op te treden, zodat hij en bezoekers elkaar beter konden begrijpen. De afstand tussen mensen leidt tot veel misverstanden, zei hij. Het optreden ging vooral over begrip en verdraagzaamheid.

Wat een contrast met de situatie na het concert. Na afloop van het concert werd de bezoekers verzocht binnen te blijven. De politie adviseerde niet naar buiten te gaan. Het was een surrealistisch tafereel. Buiten rellende en rennende jongeren, achtervolgd door ME’ers  met schild en knuppel, binnen angstige mensen, die ineens de donkere kant van mijn stad zagen. Ik moest aan het verhaal van Maalouf denken waarin hij de puinhopen van Beiroet beschreef. Er zijn heel wat Tour de France etappes in Rotterdam nodig om deze imageschade te herstellen. 

Uiteindelijk ben ik toch naar mijn auto gegaan. De elektrische deur van de parkeergarage Schouwburgplein was onklaar gemaakt. Binnen stonden een paar jongens die zich verborgen voor de ME en met veel kracht de deur voor me openden. Daarna sloten ze hem weer. Hun leeftijd schat ik op 16 tot 18 jaar. Ik zag veel jongeren van die leeftijd door de stad rennen en niet omdat ze aan het oefenen waren voor de marathon. Het zal me niet verbazen als een deel van de relschoppers vorig jaar ook aanwezig was bij de rellen op de Beijerlandselaan.

Dan kom ik meteen terug op een column die ik vorig jaar na de rellen in Zuid geschreven heb voor Zorg & Welzijn met de titel ‘Niet meehuilen met de relschoppers’. Daarin gaf ik aan van mening te zijn dat we ook als welzijnswerkers afstand moeten nemen van dit gedrag en grenzen moeten stellen en dat een moeilijke jeugd geen vrijbrief is om je op deze manier te gedragen. Daarmee zou je ook een grotere groep die in dezelfde omstandigheden is opgegroeid en zich niet op een gewelddadige manier uit, tekort doen. Ik vond toen ook dat de daders van de vernielingen en het geweld tegen de politie gestraft moesten worden. Na gisteravond is die mening alleen maar sterker geworden.

De meeste professionals die reageerden op mijn column deelden mijn mening, maar er waren ook professionals die veel kritiek hadden op mijn mening. Ik had het idee dat ze de column zelf niet helemaal hadden gelezen. Denk dat het probleem van deze tijd is: niet goed lezen en luisteren naar de ander en vooral bezig zijn met het verkondigen van de eigen boodschap. Ik werd onder andere populistisch genoemd. Inderdaad ben ik voor straffen, maar niet voor harder straffen dan nu gebruikelijk is. Een straf hoeft ook niet per sé een celstraf te zijn. Dat is afhankelijk van het delict en de leeftijd. Iedereen mag vinden wat hij wil en columns zijn er om te prikkelen. Alle kritieken boeien me en ik probeer ze te begrijpen. Waar ik dan oprecht wel benieuwd naar ben, is hoe die mensen die met jeugd werken dan wel vinden dat je met deze jongeren om moet gaan. Jongeren die auto’s in de fik steken, alles wat op hun pad komt vernielen, mensen angst aanjagen en agenten naar het leven staan.

Mijn drive is een bijdrage leveren aan een wereld waarin alle jongeren een mooie plek in de samenleving hebben, zelfs als ze om dat te bereiken daar eerst een poosje uitgehaald moeten worden. Ik ben me er natuurlijk bewust van dat preventieve interventies problemen echt kunnen voorkomen en oplossen. Ik weet ook dat een deel van de relschoppers in moeilijke omstandigheden opgroeit en houd daar zoveel mogelijk rekening mee, maar ik wil echt graag van professionals weten wat zij dan wel zouden doen als ze deze jonge criminelen niet zouden vervolgen. Dat antwoord heb ik namelijk nergens in de kritieken kunnen terugvinden. Ik ben erg benieuwd en sta open voor een dialoog. Tot die tijd blijft de mening van deze ‘populist’ ongewijzigd.